Door op 20 april 2012

PvdA heeft grote zorgen over Vestia

De situatie waarin woningbouwcorporatie Vestia verkeert is een zorgelijke. Door de risicovolle financiële zaken van de grote jongens aan de top staan nu de belangen van de kleine huurder op het spel. Verwerpelijk en dieptreurig wat de PvdA betreft.

Wat het extra lastig maakt is dat niet de gemeente maar de minister aan het roer staat. Bij de verzelfstandiging van de corporaties in 1995 was de PvdA er fel voorstander van om het toezicht bij de lokale overheden te houden. Deze politieke strijd verloor onze partij helaas.

Zowel de raadsfractie als de wethouder en de Tweede Kamerfractie vinden dat dit anders moet. Wethouder Norder zei daarover: “Nu is het zo dat overheden niets te zeggen hebben over de bedrijfsvoering van woningcorporaties. En de directie van de corporatie stelt zijn eigen raad van toezicht aan. Dat is een rare constructie waarbij de slager zijn eigen vlees keurt. Ik zou het goed vinden als de gemeente een toezichthouder levert zodat een situatie zoals bij Vestia niet meer kan voorkomen.”

Hieronder zal ik proberen kort de gang van zaken te schetsen, zoals die sinds september vorig jaar plaatsvond. Het is een verhaal dat helaas nog wel enige tijd zal worden vervolgd. Wij blijven er bovenop zitten en zullen steeds met verstand en gevoel reageren op de nieuwste ontwikkelingen.

Vooraf
De zaak Vestia is zorgelijk en de PvdA neemt dit hoog op. Zowel op bestuurlijk als op politiek niveau. Beide met het belang van de huurders als hoogste prioriteit.

De gemeenteraad is in de afgelopen maanden op diverse momenten en manieren geïnformeerd, zowel vertrouwelijk als openbaar. Hierbij is op alle vragen die redelijkerwijs beantwoord konden worden antwoord gegeven en is nadrukkelijk aandacht besteed aan het belang van de huurders.

Het verloop
In de periode september / januari is het college van Den Haag door ministerie en Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) ambtelijk geïnformeerd over de situatie bij Vestia. Gevraagd werd om met deze informatie zeer vertrouwelijk om te gaan. Er waren veel onduidelijkheden en onzekerheden, onder meer door uitblijvende informatievoorziening vanuit Vestia. Het vroegtijdig benoemen van eventuele problemen had de nog onduidelijke situatie en dus de financiële positie van Vestia kunnen verergeren.
De fractie zelf heeft in maart tweemaal het initiatief genomen om Vestia op de agenda te zetten.

Op 26 januari is de wethouder pas op de hoogte gebracht van ‘een bijzondere situatie bij Vestia’. De minister drong met klem aan op strikte geheimhouding. Op 30 januari verschenen, mogelijk door een lek in Tweede Kamer, de eerste berichten in de media. Op 8 februari heeft wethouder Norder een vertrouwelijke toelichting gegeven in de commissie Ruimte. Op 14 februari is een eerste commissiebrief uitgestuurd door de wethouder. Ook in deze fase was nog niemand, inclusief minister en wethouder, volledig op de hoogte en was de beschikbare informatie incompleet en onzeker.

Op 14 maart is naar aanleiding van een rondvraag van de PvdA (Verspuij/De Jong en GroenLinks) gesproken over de financiële situatie en onze zorgen over de volkshuisvestingsaspecten. Binnen een maand zou er aanvullende informatie beschikbaar komen van het ministerie. Op 12 april zond de wethouder een nieuwe brief aan de commissie over Vestia. Op 18 april sprak de commissie over de laatste stand van zaken.

Betrokkenheid
1. De gemeente Den Haag is, net als de circa 80 andere gemeenten waar Vestia bezit heeft, betrokken op grond van een in 2000 overeengekomen achtervangconstructie van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Deze constructie vloeit voort uit de verzelfstandiging van de woningbouwcorporaties in 1995. De gemeenten worden pas in derde instantie (na de andere corporaties en het Rijk) aangesproken voor een renteloze lening aan het waarborgfonds ten behoeve van een eventueel tekort. De gemeente heeft geen toezichthoudende bevoegdheid. De minister is de toezichthouder op de woningbouwcorporaties.

2. De situatie bij Vestia heeft gevolgen voor de volkshuisvesting in Den Haag. De belangrijkste vragen: Wat zijn de gevolgen voor nieuwe huurders van Vestia? Wat is nog de investeringskracht van Vestia ten aanzien van de circa 30 lopende Haagse projecten? Wat zijn de gevolgen ten aanzien van zaken als achterstallig onderhoud en sociaal beheer en andere potentiele problemen van of voor zittende huurders? De PvdA maakt zich daar grote zorgen over.

Veel was ook op 18 april nog steeds onduidelijk. Volgende week wordt bekend wat het oordeel is van minister Spies over het verbeterplan voor het hele concern Vestia en wat dat betekent voor de projectenportefeuille van Vesta in Den Haag.

De PvdA blijft deze situatie, zowel vanuit de raad, het college, als vanuit de Tweede Kamer, zeer kritisch volgen. De huurdersbelangen staan hierbij uiteraard voorop.